Sitsen, ontstaan en gebruik
Door: Janine van Dijk
Speciaal voor het sitsenproject ‘De Hollandse Tuin 2.0’ is een serie blogverhalen geschreven door verschillende quilters. Allerlei onderwerpen passeren de revue. Het kan gaan over boeken met patronen of juist over één patroon. Er wordt geschreven over praktische tips bij het werken met deze bijzondere stoffen. Verhalen die je op weg kunnen helpen tijdens het werken aan dit sitsenproject ‘De Hollands Tuin 2.0’.
Dit keer Sitsen, ontstaan en gebruik
Toen de serie sitsen van de Hollandse Tuin in beeld kwam, vertelde ik dat aan mijn vriendin. Zij vertelde naar een expositie te zijn geweest in Hoorn in 2004 “Quilts met zwierig bloemwerk”, die geheel gewijd was aan sitsen. Het was lang voordat ik quilten had ontdekt. Van haar kreeg ik de catalogus die zij had bewaard en ik verdiepte me in het ontstaan en het gebruik van sitsen.
Sitsen (ook wel chints genoemd) zijn oorspronkelijk met de hand beschilderde en later bedrukte katoenen stoffen . Zij hebben meestal patronen met bloemen, bomen en andersoortige vruchtbaarheidssymbolen. In de VOC documenten stond ”stoffen met zwierig bloemwerk”.
In Nederland heeft men bij het maken van quilts veel gebruik gemaakt van deze fijne katoenen stoffen. Deze stoffen worden nu nog gedrukt in Engeland en Frankrijk.
Sitsen worden vaak gebruikt bij het maken van werkstukken met geometrische vormen en traditionele patronen, waarbij de keuze van het motief van de stof belangrijk is. Daarom kom je die stof bijna niet tegen in moderne of art-quilts. Bij deze quilts is het dessin niet belangrijk maar gaat het in hoofdzaak om kleur en ontwerp.
VOC
Bij producten die de VOC naar Nederland bracht, denk je aan kruiden, thee en porselein. Maar ook textiel hoort daarbij. In Engeland hadden ze al gezien dat invoer van katoen en zijde veel geld opleverde. De VOC was voorzichtig met deze handel. Hollands textiel: linnen, fluweel, tafellinnen, zeilen en zgn. ‘pijlaken’ (een grove wollen stof) werd wel uitgevoerd.
Halverwege de 17e eeuw werd pas geruite of gestreepte katoen uit India ingevoerd, maar ook sitsen. In 1673 kwam Perzische zijde en Indiaas textiel bij Enkhuizen binnen in een grote variëteit wat het weefsel betrof, maar ook de decoratietechniek. Deze stoffen waren een openbaring, hier was men nog niet in staat zulk fijn katoenen weefsel te maken. Hier kende men alleen ruwe katoenen stoffen. Het proces om deze stof te schilderen was onbekend. De stof werd dus met blijdschap ontvangen. De stof bleek ook goed wasbaar. Het werd een modeartikel, voor kleding en voor interieur.
Techniek
Natuurlijk werd de stof nagemaakt. Tot halverwege de 19e eeuw werden daarbij alleen natuurlijke kleurstoffen gebruikt. Pigment is een onoplosbare stof en wordt met een bindmiddel op de stof geplakt. Dat dringt diep in de vezels door en kleurt de stof in zijn geheel. Door de stof te verven, in een verfbad te weken, of te beitsen krijgt het de kleur. Stof beitsen is de kleur met een metaalzout mengen. De hoofdlijnen werden met een stencil aangebracht of met behulp van een doorgeprikte tekening werd houtskool op de stof te geklopt. Rood, paars en zwart werden gemaakt door de stof te behandelen met verschillende beitsen en dan in een rood verfbad van meekrap te kleuren.
Voor blauwe stoffen werd indigo gebruikt. Een lastig proces omdat indigo niet in water oplost. Voor geel werd kurkuma of geelwortel gebruikt op witte stof en op blauwe vlakken wordt het daar groen.
Tot slot werden de stoffen behandeld met rijstwater voor meer stevigheid en daarna gepolijst of gekalanderd voor gebruik. Het kreeg daardoor ook meer glans.
Exotische bloemen, planten, bomen en vruchten kwamen het meest voor. In de Oosterse kunst hebben deze afbeeldingen vaak een religieuze en/of symbolische betekenis. De levensboom komt al in de 13e eeuw voor op Perzische miniaturen. Later kwamen daar westerse invloeden bij toen de VOC in India stoffen bestelde met eigen wensen voor de Europese markt. Maar het maken van drukblokken, verven van de stof naar aanleiding van de westerse wensen, het tijdrovende vervoer via schepen en de wisselende mode, bleek een moeizaam proces.
De eigen textielnijverheid in Nederland kreeg het zwaar te verduren. De vraag naar de nieuwe stoffen was groot en daar kon niet aan voldaan worden zonder import.
In Amersfoort werd in 1678 de eerste katoendrukkerij opgericht. Twee Amsterdamse stoffenkooplieden richten die op. Een van hen, Jacob ter Gou had tijdens zijn dienstverband met de VOC de kneepjes van het vak in India gezien.
De volgende drukkerij kwam in Amsterdam. Men gebruikte de Oost-Indische manier, met de beitstechniek in wasechte kleuren. De stoffen in Europa werden altijd gedrukt, nooit geschilderd, maar men bleef het sitsen (met gravure) noemen. Eerst drukte men met houtblokken, later met drukplaten en tenslotte met cilinders. Dit laatste drukproces is ook de manier waarop de stof uit de serie de Hollandse Tuin is gedrukt.
Tot ca. 1750 nam Holland met tachtig katoendrukkerijen in Amsterdam en Rotterdam de leiding. Daarna werd de concurrentie met Engeland en Frankrijk te groot.
Gebruik
Omdat de stof duur was, was het zonde om restjes weg te gooien. Restjes werden daarom verwerkt in bijvoorbeeld babykleding. Waarschijnlijk zijn daardoor ook de lappendekens ontstaan.
In de Nederlandse lappendekens uit de 18e en 19e eeuw zijn vaak kostbare stoffen als sits verwerkt en over het algemeen heel zorgvuldig in elkaar gezet.
Patchwork bestaat in eerste instantie uit lapwerk, pas later werd het een lappendeken of quilt. Quilt is een Engels woord dat eigenlijk gewatteerde of doorgestikte deken betekent. Dekens moeten doorgestikt worden zodat de stoffen niet verschuiven. Het woord “quilt” is van oorsprong Latijns “culcita”, in het Frans verbasterd tot cuilte.
Lapwerk heeft een negatieve betekenis, zo willen we de mooie dekens niet noemen. Pas in de jaren 70 werden de woorden patchwork als handwerktechniek en quilt in Van Dale opgenomen.
Veel van de in Nederland bewaard gebleven lappendekens zijn opgebouwd uit lichte en donkere driehoekige lapjes die met elkaar vierkante blokken vormen.
Bron: Archiefdienst Westfriese Gemeenten Hoorn, het VOC archief en “Quilts, een Nederlandse traditie” van An Moonen.














Plaats een Reactie
Meepraten?Draag gerust bij!